|
Oude regels zijn nog lange tijd van belang door de lange duur van veel lijfrenteverzekeringen en door het overgangsrecht.
Belangrijke wijzigingen waren:
Per 1 januari 1992 de zg. Brede Herwaardering.
Per 1 januari 2001 de Wet inkomstenbelasting 2001.
Per 1 januari 2003 de afschaffing van de basisaftrek.
Per 1 januari 2006 het niet meer fiscaal toegestaan zijn van de overbruggingslijfrente.
Per 1 januari 2008 invoering van banksparen, waaronder banksparen voor de oude dag.
Verzekeringen van vóór 1992
Vóór 1992 was de opbouwfase van de lijfrenteverzekering meestal in de vorm van een "kapitaalverzekering met lijfrenteclausule". De maximale premie-aftrek was in 1991 f 17.459 (€ 7923); deze was onafhankelijk van het hebben van een pensioentekort. Er gold een eerbiedigende werking voor premie-aftrek in de jaren 1992 tot en met 2000 op basis van een verzekering afgesloten vóór 16 oktober 1990. Het aftrekbare bedrag was ook nog geïndexeerd.
Zulke oude kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule kunnen nog steeds lopen, en de clausule is dan ook nog steeds van belang. Deze bindt de verzekeringnemer niet zozeer tegenover de verzekeraar maar vooral tegenover de fiscus, en houdt in dat het kapitaal aan een lijfrente besteed moet worden, met ruimere mogelijkheden dan tegenwoordig. Bovendien zijn bij overtreding de consequenties milder dan volgens de huidige regeling: er geldt slechts dat de uitkering of waarde in één jaar in zijn geheel in box 1 is belast, in plaats van gespreid over meer jaren.
Verzekeringen gesloten vanaf 1992
Op 1 januari 1992 is de Brede Herwaardering ingegaan. Sindsdien is een nieuwe kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet meer aan de orde, en gelden in grote lijnen de huidige strengere eisen aan het type lijfrente, behalve dat tot 1 januari 2006 nog wel de overbruggingslijfrente fiscaal was toegestaan. (De overbruggingslijfrente dient voor de overbrugging van een periode na geheel of gedeeltelijk stoppen met werken, tot aan de 65-jarige leeftijd en/of de datum dat een pensioen ingaat.) Naast de "zuivere lijfrente" is er nu de "gerichte lijfrente". Bij afkoop of omzetting in een niet toegestaan type lijfrente geldt de huidige strenge regeling.
Voor de aftrekbaarheid worden van 1992 tot en met 2000 "tranches" onderscheiden, de eerste tranche betreft de basisaftrek die onafhankelijk is van een pensioentekort. Deze bedraagt in 1992 f 5150 (€ 2337). Met de invoering van het Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2001 is de naam "eerste tranche" vervangen door basisaftrek, en het bedrag wordt verlaagd tot ruim € 1000, zonder overgangsregeling. Aftrek die afhankelijk is van een pensioentekort heet nu jaarruimte en reserveringsruimte. De basisaftrek is per 1 januari 2003 afgeschaft.
Met de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 kunnen verschillende situaties zijn ontstaan.
Er wordt meer premie betaald dan volgens de jaarruimte is toegestaan, het niet-aftrekbare gedeelte is niet groter dan € 2.269,-- en de verzekering is ingegaan vóór 14 september 1999 en sindsdien ongewijzigd. De hele uitkering valt onder de oude regels.
Als bij 1, maar het niet-aftrekbare gedeelte is groter dan € 2.269,--. Dan wordt de verzekering gesplitst in vier delen:
Een deel waarop voor de premies en uitkeringen de nieuwe regels gelden;
Een deel waarop voor de uitkeringen de oude regels gelden. Dit is het deel waarvoor de premies zijn betaald voor 1 januari 2001;
Een deel waarvoor een niet-aftrekbare premie is betaald, na 14 september 1999, van max. € 2.269,--
Een deel met het niet-aftrekbare gedeelte voor boven € 2.269,--
Met ingang van 1 januari 2006 is de premie voor een overbruggingslijfrente niet meer aftrekbaar. De reeds opgebouwde rechten blijven onaangetast.
|